16
Roy Taylor wist niet goed hoe hij het vond om weer op Shetland te zijn. In elk geval was het fijn dat hij er nu eindelijk was, want tijdens het lange wachten in Aberdeen had hij het gevoel gekregen op ontploffen te staan. Ze hadden gelukkig een plaats aan boord van het vliegtuig kunnen bemachtigen. Hij had het zijn collega’s niet verteld, want hij vond dat leidinggevenden hun zwakheden voor zich moesten houden – al dat gepraat en softe gedoe was niets voor hem – maar toen ze per boot de Mersey overstaken, was hij misselijk geworden. Als ze met de nachtboot naar Shetland hadden gemoeten, zou hij zeker hebben overgegeven.
Maar toen hij vooraan in de rij stond te wachten tot ze het vliegtuig mochten verlaten, kreeg hij heimwee bij de gedachte aan de boot over de Mersey. Er kwamen sentimentele beelden bij hem boven. De skyline van Liverpool, vanaf de rivier gezien. Het Liverpools dialect. De bomvolle pubs. Op zaterdagmiddag in het stadion van FC Liverpool uit volle borst met de voetbalfans meezingen. Hij vroeg zich af of het niet tijd werd om naar Liverpool terug te gaan. Zijn vader was overleden. Hij had van hem dus niets meer te vrezen. Even overwoog hij weer in Liverpool te gaan wonen, maar uiteindelijk verwierp hij dat idee toch. Hij had eerst andere dingen aan zijn hoofd.
Hij was naar Inverness verhuisd om zo ver mogelijk bij zijn ouders vandaan te zitten. Het had iets masochistisch om in een stad te gaan wonen die hij helemaal niet kende en die totaal anders was dan andere steden die hij had kunnen kiezen. Alsof hij zichzelf én zijn familie wilde straffen. En nu was hij dus weer op Shetland, nog verder weg, op een plek waar hij zich nog minder thuis voelde.
De deur van het vliegtuig ging open. Snel liep hij de trap af, naar de deur van de aankomsthal. Hij had zijn team geïnstrueerd alleen handbagage mee te nemen, want ze hadden al genoeg tijd verloren en hij had geen zin om eindeloos bij de bagageband te moeten wachten.
Jimmy Perez stond hen op te wachten. Ze hadden bij een eerder onderzoek samengewerkt en konden redelijk goed met elkaar overweg, misschien wel omdat ze zo’n verschillende werkwijze hadden. Als Perez fulltime in zijn team had gezeten, zou Taylor zich waarschijnlijk gestoord hebben aan zijn onconventionele aanpak, zijn lange haar en zijn slome manier van doen. Maar hier leek die rustige aanpak te werken. Misschien zelfs te goed. Taylor was altijd prestatiegericht geweest, en naast de collegiale vriendschap die tussen hen bestond, voelde hij ook iets van wrok, omdat Perez met de eer was gaan strijken toen de moord op Catherine Ross was opgelost.
Toch begroette hij Perez hartelijk, schudde hem de hand en sloeg hem kameraadschappelijk op de schouder. ‘Hoe staan de zaken ervoor, Jimmy?’ Hij wilde zijn team laten zien dat ze tijdens dit onderzoek geen last van territoriumdrift zouden hebben. Bovendien viel het voor Perez vast niet mee om bij de interessantste zaken onder een superieur uit Inverness te moeten werken. Daar zou Taylor zelf in elk geval niet tegen kunnen.
Ze reden naar het noorden en vervolgens naar het westen, om Lerwick heen, de enige plek op de eilanden waar Taylor zich nog een beetje thuis had gevoeld. In Lerwick had je tenminste nog winkels en kroegen, cafetaria’s en Indiase restaurants. Hij besefte hoeveel ruimte er om hem heen was en voelde zich duizelig en misselijk worden. Dat kwam door de doorwaakte nacht in de Holiday Inn van Aberdeen, dacht hij. Als het onderzoek eenmaal liep, zou hij zich weer kiplekker voelen.
Om weer in het hier en nu te komen, vuurde hij de ene na de andere vraag af op Perez, die achter het stuur zat. ‘Wil je beweren dat er in een gat als dit niemand is die kan zeggen wie hij is?’ Hij wist dat Perez een hekel had aan dat toontje, maar zo sprak hij nu eenmaal.
Perez wachtte even voordat hij antwoord gaf. ‘We krijgen hier vijftigduizend toeristen per jaar, waarvan het merendeel niet in contact treedt met de plaatselijke bevolking. Dus zo verwonderlijk is het niet dat het even duurt voordat we zijn naam weten.’
‘Maar toch, iemand moet zijn afwezigheid toch wel hebben opgemerkt? Een pension. Een hotel.’
Perez gaf geen antwoord. Daar was hij goed in: zwijgen als hij niets te zeggen had. Dat was Taylor nooit gelukt.
De auto’s minderden vaart en kwamen bij een kleine schuur tot stilstand. Taylor vond dat ze in een gat terecht waren gekomen. Dit kon je geen dorp noemen. Een paar huisjes langs de weg, meer was het niet. Ze waren langs een galerie gekomen, die bijna op het strand stond. Dat leek Taylor een merkwaardige plek voor een galerie. Wie was er nou zo gek om zo’n eind te reizen om naar een paar schilderijtjes te komen kijken? Perez had zijn stilzwijgen doorbroken en verklaard dat het slachtoffer daar voor het laatst in levenden lijve gesignaleerd was.
‘Ik was er zelf bij,’ zei hij. ‘Er was een feestje naar aanleiding van de opening van een expositie.’ Taylor dacht dat zijn collega nog meer wilde zeggen, maar blijkbaar wachtte deze op een andere gelegenheid, als er verder niemand bij was. Hij nam zich voor dat ter sprake te brengen als ze onder elkaar waren.
Toen hij was uitgestapt, hoorde hij het gekrijs van zeemeeuwen en rook hij zeewier en vogelpoep. Achter het rijtje huizen liep de heuvel steil omhoog. Waarom zou iemand hier willen wonen? dacht hij. Hij herkende de plek van een documentaire over folkmuzikant Roddy Sinclair. Er was veel in Biddista gefilmd. De camera had hem op de voet gevolgd. De kijker zag hem kletsen met de plaatselijke bevolking, zag hem een winkel binnengaan, en zag hem met zijn kameraden in de kroeg zitten. Daarna waren er beelden van Londen en Glasgow te zien, met muziek en de groupies.
Taylor ging de schuur niet binnen. Van wat hij van Perez had gehoord, waren de sporen op de plaats delict al genoeg vervuild. De technische recherche moest eerst maar aan de slag. Het ging hem er alleen maar om een idee van de omgeving te krijgen. Hij was in elk geval blij dat hij er nu eindelijk was, al had hij het idee dat iedereen in Biddista hem in de gaten hield en dat de blikken in zijn rug prikten. Hij hoefde niet naar de huizen te kijken om te zien of er mensen achter de ramen stonden te koekeloeren, want dat wist hij zo wel. Hij zou nooit zo’n goed beeld van deze plek hebben gehad als hij alleen op de verhalen van Perez was afgegaan. Als je hier woonde, kon je onmogelijk geheimen voor elkaar hebben. Het ging er bij hem niet in dat niemand wist wie de man om het leven had gebracht. Misschien wisten ze het allemaal en was het één groot complot.
Hij richtte zich weer tot Perez. ‘We kunnen ze wel hun gang laten gaan. Zullen wij naar Lerwick gaan, met z’n tweeën? Dan kun je me onderweg de nadere bijzonderheden vertellen.’ Het klonk als een voorstel, maar Perez wist dat hij geen andere keus had dan in te stemmen.
In de auto werd hij zich bewust van de zee, die zich rechts van hem uitstrekte. Hij keek Perez aan. ‘Je zei dat je een van de laatsten was die het slachtoffer in leven heeft gezien. Wat deed hij toen?’
Er viel weer een stilte. Perez ging aan de kant om een vrouw in een gammel busje langs te laten.
‘Hij zat te huilen.’
Taylor wist niet goed wat voor antwoord hij verwacht had, maar dit in elk geval niet.
‘Hoe bedoel je, huilen? Waar huilde hij dan om?’
Weer een stilte. ‘Dat wist hij zelf ook niet. Dat beweerde hij althans.’ En toen kwam Perez met zijn verhaal. Over de onbekende man die grote consternatie had veroorzaakt in een artistiekerig gezelschap door in tranen uit te barsten en vervolgens te zeggen dat hij niet wist wie hij was of hoe hij daar terecht was gekomen.
Taylor durfde Perez niet in de rede te vallen. Hij had tal van vragen, maar hij wist dat hij Perez het verhaal op zijn eigen manier moest laten vertellen.
‘Je snapt dus waarom ik aanvankelijk aan zelfmoord dacht,’ zei Perez. ‘Maar toch heb ik vanaf het begin al getwijfeld.’
‘Geloofde je dat die man zijn geheugen inderdaad kwijt was?’
Perez dacht na. Taylor wachtte. Het liefst zou hij in Perez’ oor schreeuwen: ‘Het is een heel simpele vraag, man! Hoe lang duurt het nog voordat je met een antwoord komt?’ Hij merkte dat hij door de spanning krampachtig ging ademen.
‘Nee,’ zei Perez uiteindelijk. ‘Eigenlijk niet.’
Taylor geloofde hem. Perez werkte hem weliswaar soms ontzettend op de zenuwen, maar van alle mensen die Taylor kende, had Perez de beste mensenkennis. Perez keek naar mensen zoals David Attenborough naar dieren keek.
‘Waarom dan die act?’
Deze keer kwam het antwoord meteen. ‘Weet ik niet. Die vraag heeft me beziggehouden sinds hij dood is aangetroffen. Misschien wilde hij de opening van de expositie in het honderd sturen. Maar waarom zou een onbekende Engelsman zoiets willen doen? Zou hij iets tegen Bella Sinclair of Fran Hunter hebben?’
Taylor herkende een naam. ‘Fran Hunter? Is dat niet de vrouw die Catherine Ross heeft gevonden?’
‘Ja.’ Perez knipperde even met zijn ogen. ‘Daarom was ik op dat feestje. We zijn min of meer bevriend geraakt.’
Als iemand anders dat gezegd had, zou Taylor een genadeloze opmerking hebben geplaatst. Wat bedoel je nou precies met bevriend? Bevriend in de zin van seks? Maar hij wilde Perez niet voor het hoofd stoten. Zonder hem zou hij hier niets kunnen beginnen.
Perez veranderde van gespreksonderwerp. ‘Het is mogelijk dat het slachtoffer de expositie helemaal heeft willen dwarsbomen. Iemand heeft namelijk briefjes in Lerwick uitgedeeld, waarop stond dat de tentoonstelling was afgeblazen. Hij droeg een clownsmasker.’
‘Maar de twee kunstenaressen hebben hem niet herkend?’
Een stilte. ‘Ze zeggen van niet.’ Weer een stilte. ‘Op het briefje stond dat de expositie niet doorging wegens een sterfgeval in de familie. Bijna alsof hij zijn eigen dood voorspelde.’
Lerwick was niet de grauwe stad die Taylor zich herinnerde, maar dat kon komen doordat het destijds hartje winter was geweest. Vandaag scheen de zon en liep iedereen zonder dikke jas over straat. Het licht schitterde op het water. In de haven lag een boot die tot een theater was omgebouwd. Aan de boeg hing een rood stuk zeildoek met daarop de titel van de lopende voorstelling. Met een knikje gebaarde Taylor naar de boot. ‘Die is nieuw.’
‘Nee,’ zei Perez. ‘Die komt hier al jaren, al zolang ik me kan herinneren, maar alleen ’s zomers. Ze toeren alle eilanden af en hebben altijd veel succes bij de toeristen.’
‘God,’ zei Taylor. ‘Ik verga van de honger.’ Hij had in het vliegtuig alleen maar een broodje gehad, dat afschuwelijk smaakte, en dat leek uren geleden.
Ze kochten fish-and-chips en aten uit het vettige papier, met uitzicht op het water. Taylor herinnerde zich dat Perez hier ergens in de buurt woonde. ‘Woon je nog steeds op hetzelfde adres?’
Perez knikte.
‘Dus je bent nog niet bij de charmante Fran Hunter ingetrokken?’ Hij wist dat hem dat niets aanging, maar hij kon er niets aan doen. Nieuwsgierigheid, voor een rechercheur een onmisbare karaktertrek. Hij merkte dat hij ook een beetje jaloers was.
Perez at zijn laatste frietjes op. ‘Zo liggen de zaken niet.’
Taylor wilde vragen hoe de zaken dan wél lagen, maar het onderzoek naar de moord had een hogere prioriteit.
‘Door wie denk jíj dat het slachtoffer vermoord is? Iemand uit de regio?’
‘Sommige mensen in Biddista houden dingen achter,’ zei Perez uiteindelijk. ‘Maar dat hoeft nog niet te betekenen dat ze een moord hebben gepleegd.’
Taylor knikte. Dat kon hij snappen. Als de politie ineens voor je deur staat, kun je je altijd wel ergens schuldig over voelen: te hard rijden, belastingfraude, seks met de beste vriendin van je vrouw. Als rechercheur ben je dan al snel geneigd te denken dat het iets te maken heeft met het onderzoek waar je op dat moment mee bezig bent.
Toen Perez het papier uitschudde waar de friet in had gezeten, streken er een paar krijsende zilvermeeuwen bij zijn voeten neer. ‘Ik moet even een telefoontje plegen,’ zei hij. ‘Dat was ik al eerder van plan. Kenny Thomson, de man die het lijk gevonden heeft, had gevraagd of ik hem wilde terugbellen.’
Hij ging een paar meter bij Taylor vandaan staan, met zijn rug naar hem toe, om zo veel mogelijk privacy te hebben. Maar ook al zou Taylor het gesprek opvangen, dan nog zou hij er waarschijnlijk niets van verstaan. Want als Perez op het plaatselijke dialect overschakelde, was het net Chinees voor hem. Hij wist nog goed hoe hij zich had gevoeld toen zijn moeder hen had verlaten en naar het noorden van Wales verhuisde. Er werd een omgangsregeling opgesteld, waar zijn vader nog een hoop stampij over had gemaakt. De regeling bleef niet lang van kracht, maar bijna een jaar lang moest Taylor elke maand een weekend naar Wales, naar zijn moeder. Als hij daar naar een winkel ging, werd hij vreemd aangekeken en praatte iedereen een taal waar hij niets van begreep. Hij snapte wel dat ze het over hem hadden. En over zijn moeder, die bij een keurige dominee was ingetrokken en de man van het rechte pad had afgebracht. Sloerie. Dat verstond hij dan weer wel.
Perez had het mobieltje weer uitgezet en wachtte tot Taylor over het telefoongesprek zou beginnen.
‘En?’ zei Taylor.
‘Hij wil het lijk nog een keer zien. Volgens mij is zijn fantasie met hem op de loop gegaan. Hij denkt dat het zijn broer zou kunnen zijn.’ Perez zweeg even en corrigeerde zichzelf, want hij hechtte er waarde aan zich nauwkeurig uit te drukken. ‘Eigenlijk denkt hij dat het zijn broer niet is, maar dat wil hij zeker weten.’
‘Kent hij zijn eigen broer dan niet?’
‘Die is hier op een gegeven moment weggegaan en heeft al jaren niets meer van zich laten horen. En Kenny heeft het slachtoffer niet zo goed kunnen zien. Alleen van de zijkant. Bovendien had de man een masker op. Zoals ik al zei, gaat het hem er vooral om de mogelijkheid uit te sluiten. Blijkbaar zit het hem erg hoog.’
‘Maar je zei toch dat het slachtoffer een Engelsman was?’
Perez haalde zijn schouders op. ‘Mensen kunnen een ander accent krijgen. Of hun stem verandert.’
‘Wat heb je tegen hem gezegd?’
‘Dat hij vanmiddag kan komen kijken. In het mortuarium, voordat het lijk met de boot naar het zuiden gaat voor een autopsie.’
Taylor voelde de opwinding door zijn lijf gieren. Dit was zijn eerste kans om zich concreet met de zaak te bemoeien. Een afwachtende houding aannemen was niet zijn sterkste punt. ‘Ik wil er graag ook bij zijn,’ zei hij. ‘Dat vind je toch niet erg?’
Perez gaf geen antwoord, want hij wist dat het eigenlijk geen vraag was.